Geschiedenis

Hoewel Gameren tot de laatste dorpen in de Bommelerwaard behoorde die (in 1642) een eigen predikant kreeg, was de Reformatie al veel eerder tot het dorp doorgedrongen. In september 1571 werd het dorp nog bezocht door vertegenwoordigers van het bisdom ‘s-Hertogenbosch en deed de laatste pastoor, Jan Storm, verslag van de situatie in de katholieke parochie. In 1572 veroverde Dirck van Haeften, de vroegere heer van Gameren, Zaltbommel voor de Prins van Oranje; twee jaar later verdedigde hij de stad met succes tegen de Spanjaarden. Waarschijnlijk zijn de inwoners van Gameren in de daaropvolgende jaren overgegaan tot het protestantse geloof. De eigendommen van de katholieke parochie, kerk, pastorie en landerijen gingen over naar de Hervormde Gemeente. Vermoedelijk hebben in de eerste tientallen jaren na de overgang, predikanten uit Zaltbommel en andere dorpen de diensten in Gameren verzorgd.

In 1615 kreeg Gameren weliswaar een predikant, Johannes de Roy, maar de gemeente moest deze delen met Tuil, waar De Roy ook woonde. In 1612 werden de eerste zogenaamde kerkmeesters vermeld; het waren Geerlof Aertsz en Wouter Cornelisz Francken. Zij beheerden en verpachtten de goederen van de kerk; deze waren vrij omvangrijk en besloegen bijna vijftig morgen. Later stelde Jacob van Randwijck, heer van Gameren, hiervoor een aparte administrateur aan, Dirck de Gier. Daarnaast waren er landerijen die behoorden bij een zogenaamde vicarie, gesticht voor het zieleheil van de stichter. Na de Reformatie kregen deze een andere bestemming. In Gameren behield de Hervormde Gemeente er slechts enkele, waaronder de Sint Janshof (aan de Ridderstraat, schuin tegenover Het Slot) een perceel dat tot in de twintigste eeuw eigendom bleef van de gemeente.

De Roy overleed in 1638, waarna de diensten werden verzorgd door predikanten uit naburige gemeenten. Dit gebeurde niet erg regelmatig, reden voor rentmeester Matthijs van Schravenweert, schout Peter Gijsbertsz en de buurmeesters Hendrick Jansz Timmer en Jacob Petersz (van de Wercken) om te vragen om een eigen predikant. Dit werd door de classis afgewezen, evenals een tweede verzoek in 1640, toen de classis Petrus Vicinus aanwees als predikant te Tuil en Gameren. Maar Gameren gaf niet op en probeerde het in 1641 tevergeefs opnieuw. Toen de in 1640 in Meerkerk aangesteld predikant Abraham Huysinghius dit hoorde verzocht hij de classis om hem voor Gameren aan te bevelen. De kerkenraad besloot daarop om beroep op hem uit te brengen, maar dat leidde tot onenigheid binnen het dorp waarmee ook de weduwe van Jacob van Randwijck zich bemoeide. Nadat de classis en zelfs het Hof van Gelre erbij waren betrokken, kwam Huysinghius proefpreken, waarna de lidmaten hun stem uitbrachten. De belangstelling was gering; van de 21 aanwezigen stemde 11 voor en 10 tegen zijn komst. Daarop besloten de classis en de synode om het beroep door te zetten en de kandidaat examen af te nemen. Dat gebeurde en op 6 oktober 1642 werd Huysinghius geïnstalleerd. Bij zijn aantreden bemerkte hij dat de kerkenraad bestond uit drie leden, een ouderling Dirck Rutgersz (die het al vele jaren was) en twee diakenen. Eén van hen, Cornelis Woutersz Francken, werd ouderling, samen met Arien Petersz van der Wiel. Vanaf 1646 bestond de kerkeraad een aantal jaren uit twaalf leden, waaronder twee ouderlingen en twee diakenen, die steeds twee jaar dienst deden. Later werd de omvang weer verkleind.

In 1649 vertrok Huysinghius naar Deurne. Zijn opvolger werd Michael Spranger, die de eerste lijst van lidmaten opstelde, iets wat zijn voorganger niet had gedaan. Het opstellen van een volledige lijst werd volgehouden tot 1771; daarna werden alleen nieuwe of vertrekkende lidmaten genoteerd. Spranger bleef in Gameren tot zijn overlijden in 1673. Hij was geruime tijd scriba van de classis Zaltbommel en kreeg ook landelijke bekendheid als aanhanger van het piëtisme, een stroming binnen de kerk die zich keerde tegen wantoestanden en misvattingen. Hij publiceerde meerdere dichtwerken waarin hij zijn opvattingen verwoordde. Na Huysinghius en Spranger heeft de Hervormde Gemeente vele predikanten gehad (de lijst hangt in de hal van de kerk). Soms verliep er enige tijd tussen het vertrek of overlijden van de een en de komst van een opvolger. Eénmaal was de oorzaak grote onrust in het dorp. Dat was in 1781 toen vrijwel alle lidmaten zich keerden tegen de door de heer van Gameren voorgestelde kandidaat, Anthonie Abbingh. De oorzaak van het verzet was wangedrag van Abbingh in een herberg in het dorp. Een jarenlange juridische strijd resulteerde in het voorjaar van 1784 in de uitspraak van het Hof van Gelre dat Abbingh ongeschikt was voor de benoeming. Het was de tijd van het opkomende patriottisme en de eerste keer dat het dorp zich verzette tegen hun ver weg wonende heer. De onrust die deze zaak moet hebben veroorzaakt, moet vergelijkbaar zijn geweest met die ruim vijftig jaar later, toen de Afscheiding de eerste grote scheuring binnen de protestantse kerk was sinds de Reformatie.

Het kerkgebouw

De kerk, gewijd aan Sint Martinus en waar zich vijf altaren bevonden, was vermoedelijk gebouwd in de veertiende of vijftiende eeuw. Tijdens de belegering van Zaltbommel door de Spanjaarden in 1574 waren er soldaten gelegerd in Gameren en werd de kerk zwaar beschadigd. Enkele jaren na de komst van predikant De Roy bezochten vertegenwoordigers van de classis Gameren om de schade aan de kerk op te nemen. Deze is toen provisorisch hersteld, waarbij het achterdeel van het schip is afgebroken en er een muur is gebouwd. Gedurende de daaropvolgende eeuwen zijn er regelmatig herstelwerkzaamheden aan de kerk verricht. Soms waren deze noodzakelijk na een overstroming. Zo moest de kerk in 1657 worden schoongemaakt nadat de banken door de kerk dreven als gevolg van het hoge water. De kerk had nog geen toren maar een klokstoel op het dak, halverwege het schip. In 1689 werd de stoel door timmerman Aert van Bennecom vernieuwd. Het touw waarmee de klok werd geluid, ging door het dak. Dit resulteerde vaak in reparaties om lekkage te voorkomen.

In 1725 werd de zaak grondig aangepakt en er werd een geheel nieuw torentje gebouwd, onder meer door Tonis en Wouter, de zonen van Aert van Bennecom. De klok werd gemaakt door smid Hendrick van Voorden uit Zaltbommel. De totale kosten van de vernieuwing bedroegen ruim 680 gulden. Een jaar later richtte het dorpsbestuur en dominee Petrus de Roy zich tot Baronesse van Randwijck, Vrouwe van Gameren, met het verzoek om een uurwerk op het torentje te mogen maken ‘tot sonderling ciraed en nuttighijt’.

In augustus 1726 gaf zij toestemming en kort daarop vond de aanbesteding plaats. De opdracht ging voor 250 gulden naar Herman Claessen van Meerkerk, die het werk naar tevredenheid heeft uitgevoerd en gedurende vier jaar verantwoordelijk was voor het onderhoud. In 1731 werd de klok vernieuwd.

In 1786 werd de klokkestoel afgebroken en kreeg de kerk een toren aan de westzijde. De muur aan de oostkant werd bij die gelegenheid vernieuwd en bij de toren werd in een kleine aanbouw een trap gemaakt naar de zolder waar de klok zou worden geluid. De klok zelf hing op de tweede verdieping. Het werk werd voor f 4.600,- aangenomen door Arien Vink. Het uurwerk op de toren werd gemaakt door Willem Tamson uit Zaltbommel. Paulus Nieuwhof leverde voor 5½ gulden de ‘royen koperen haan’ op de toren. Na het gereedkomen van de toren ontstond er nog een discussie over het luiden van de klok. Schoolmeester Gijsbert Jansz van de Wercken maakte (gezien zijn leeftijd) bezwaar tegen het luiden vanaf de eerste verdieping. Maar de schout en de kerkmeesters zijn daar tegen en Van de Wercken blijft genoodzaakt om voor het luiden steeds weer de trap te beklimmen.

In de loop van de negentiende eeuw is er nog vaak aan de kerk gewerkt; de laatste grote reparaties vonden in 1903 plaats en in 1918 vernieuwde Willem Jan van Utrecht het haantje op de toren.

In juli 1936 sloeg de bliksem in en ontstond er brand in het orgel en het schip. Dit werd echter snel geblust door de brandweer uit Zaltbommel.

Op 22 april 1945 maakte bruut geweld een eind aan de kerk aan de dijk. Nadat de molen was opgeblazen werd aan het eind van de middag ook de toren van de kerk met springstoffen vernield. Omdat de toren op het schip viel was ook de kerk zelf een ruïne. Tevoren hadden inwoners de preekstoel, het doopvont, een statenbijbel, twee koperen kronen en twee wandborden in veiligheid gebracht. Nadat de kerkdiensten gedurende korte tijd in de gereformeerde kerk waren gehouden, werd een noodkerk ingericht in de voormalige openbare school (het latere dorpshuis). Medio 1950 werd een begin gemaakt met plannen voor een nieuwe kerk, dit in het kader van uitbreidingsplannen van de gemeente. Architect maakte twee plannen, één voor herbouw aan de dijk en één op de Del. Hoewel er van meerdere zijden (waaronder het Geldersch Genootschap tot Bevordering en Instandhouding van de Schoonheid van Stad en Land) bezwaar werd gemaakt, kozen zowel de kerk als het dorpsbestuur voor de Del en op 23 januari 1953 verleende het College van B&W de bouwvergunning; in april legde dominee Van Dijk de eerste steen. Het werk was gegund aan aannemer ‘t Lam. In mei 1954 werd de nieuwe kerk in gebruik genomen.

De pastorie

De pastorie stond oorspronkelijk schuin tegenover de kerk achter het schoolhuis. Rond 1870 werd het huis afgebroken en werd de school enigszins uitgebreid. Er werd een nieuwe pastorie gebouwd aan de dijk, westelijk van het schoolhuis. Op de plaats van een schuur van de kerk tegenover de pastorie werd een (klein) gemeentehuisje gebouwd. In 1937 besloot het gemeentebestuur van Gameren om de pastorie aan de dijk voor f 7.000,- gulden te kopen om er het gemeentehuis in onder te brengen. Tegelijkertijd kreeg de Hervormde Gemeente vergunning om een nieuwe pastorie te bouwen aan de noordwestelijke zijde van de Delkant, ongeveer op de plek waar het oude gemeentehuisje stond. Op 4 maart 1938 legde presidentkerkvoogd Johan Arie de Jongh de eerste steen.