Categoriearchief: Geen categorie

Jesaja 1 vers 18 – EEN SCHONE LEI

EEN SCHONE LEI

 

‘Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol’,

Jesaja 1 vers 18

Een schone lei. Heel veel jongeren weten niet meer wat deze uitdrukking betekent. Een lei, die lijkt wel wat op een tablet, maar dan zonder touch screen.
Je schreef erop met een soort krijtje. Vandaar dat je ook bij iemand in het krijt kon staan wanneer je geen schone lei had. Het betekent: in de schuld staan, schulden hebben. En zo kun je als mens voor God in de schuld staan. Je staat in het rood, er staat niet ‘voldaan’ onder je rekening. Ja, denk je: precies, zo is het met mij, ik heb geen schone lei voor God. Maar dan lijkt het me goed om er over na te denken hoe je nu een schone lei krijgt.
De Heere zegt: Kom nu, Israël, laten we samen een rechtszaak voeren. Ja, bij een rechtszaak zitten we toch vaak met de gedachte: nu zwaait er wat. Wat wordt het? Veroordeling of vrijspraak? Schuldig of onschuldig? Wèl of gèèn straf? Maar voordat de rechtszaak begonnen is spreekt de Heere al over een schone lei.
Eigenlijk is Jesaja 1 één klacht over de zonden van het volk. Gods volk is nog minder dan een dier, want een dier is trouw aan zijn baas, maar Israël niet. De zonden van Israël zijn rood als scharlaken (helder rood) en rood als karmozijn (meer dat donkerrode). En wol, met deze kleurstoffen geverfd, is kleurecht,
rood tot op de draad toe. Je krijgt het nooit weg en wast het nooit schoon.
En zo is het ook met de zonden van Israël. Die krijgt Gods volk zelf nooit weg. Ze zijn niet uit te wissen en niet uit te wassen.
In deze meditatie komt de Heere naar ons toe en zegt: ‘Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren. Al waren uw zonden……’. Wij leven er soms gemakkelijk aan voorbij, maar de Heere houdt ze allemaal bij. Wij staan er niet minder gekleurd op dan Israël, want ook wìj staan bij God in het rood, in de schuld.
Maar dat is de goede, blijde boodschap: laat de Aanklager nu de Witwasser zijn, en laat de Rechter nu de Redder zijn. Hoort u dat? De Heere nodigt, niet dreigend, maar lieflijk, vriendelijk: kom maar tot Mij, al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.
Als de Heere ons oproept: komt dan en laat ons samen rechten, laten we daar dan niet voor weglopen. Als we weigeren te komen en ontkennen dat we in het rood staan, dan is de Redder straks onze Rechter. Zonder een schone lei loopt het niet best met ons af. Dan zullen we zelf de toorn van God moeten ondergaan, en dat voor eeuwig.
Ja, denk je, ik kan niet geloven dat het voor mij kan, ik voel me een te grote zondaar. Maar een schone lei krijg je zelf nooit voor elkaar, dat is enkel genade. Het kan alleen door het geloof in de Heere Jezus, Die bij machte en gewillig is (Hij kan het en Hij wil het), om van vuurrood sneeuwwit te maken. Hoe Hij dat doet? Door het rode bloed dat Hij heeft gestort. De Heere zegt niet: zand erover, maar bloed. Alleen zo worden ze witgewassen, wit als sneeuw. Nee, niet illegaal, maar legaal. In naam der wet. De Heere bracht er Zijn Zoon tegenin, het Kind van Bethlehem, de Man van smarten, zeg maar gerust: de Onschuld Zelf. God legde al de zondeschuld, al dat scharlaken rood van de zonde op Zijn schouders.

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij, genadig wil vergeven.

Gameren G. Wassinkmaat

Jesaja 1 vers 18

Johannes 13 vers 1 JEZUS’ LIEFDE TOT HET EINDE

Johannes 13 vers 1: ‘………….. zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde!’

JEZUS’ LIEFDE TOT HET EINDE

1. wanneer
2. tot wie
3. hoelang

Het gebeurde in een Tibetaans dorpje. Midden in een dorp stond een boom in
brand. In die boom zat een nest pasgeboren vogeltjes. Het vuur kwam steeds dichter bij het nest. De moedervogel fladderde angstig heen en weer. Toen het
vuur het nest bereikt had, ging ze er bovenop zitten en spreidde haar vleugels er over uit. Zo verbrandde die moedervogel levend. Eén van de inboorlingen wipte met een lange stok de dode moedervogel van het nest. Tot zijn verbazing sprongen de jongen piepend en springlevend tevoorschijn. De dood van die
moedervogel betekende het leven voor haar jongen.
Een mooi voorbeeld. Toch is het geheim van Jezus’ liefde dieper, groter. Hij gaat voor de Zijnen door het vuur, ja, door het vuur van Gods gericht. En Hij sterft niet voor onschuldige vogeltjes, maar voor (dood) schuldige zondaars.

1. wanneer

Wanneer zegt Jezus dit? Het is de laatste avond waarop Hij met Zijn discipelen
samen is, vlak voor het feest van het Pascha. Jezus kijkt in de Paaszaal op de klok, op Gods klok. Hij ziet dat het uur slaat waarop zondaars verlost zullen worden en waarop Zijn Vader verheerlijkt wordt. Alles is door God getimed, het gebeurt allemaal op Gods tijd en volgens Gods programma. Hij wordt nu als het Lam van God geslacht aan het kruis van Golgotha.
Zie je dat? Er staat niet dat Hij moet gaan lijden en sterven, maar dat Hij uit deze wereld zal overgaan tot de Vader. Hij leeft in een Gode-vijandige wereld die in het boze ligt. Maar nu breekt bijna het uur aan van Zijn terugkeer naar de heerlijkheid die Hij bij de Vader had. En zal hij daar niet naar uitzien?
Zover is het nog niet. Hij moet eerst lijden en strijden, verworpen en ge-
kruisigd worden. Nog even en dan hangt Hij aan het kruis. Maar het gaat door lijden tot heerlijkheid.
Jezus weet wat er komen gaat, namelijk de kruisdood, en toch aarzelt Hij geen moment om die weg te gaan. Dat is Zijn grote liefde!

2. tot wie

De Zijnen. Wie zijn dat? Ja, denk je: dat zijn volgens mij de uitverkorenen, en
daar hoor ik niet bij, want mijn geloof stelt weinig of niets voor. Maar kijk dan eens naar Jezus’ discipelen. Het zijn allemaal zondaars, lafaards, zwakkelingen.
Ze lopen hun Meester voor de voeten, verloochenen Hem en vluchten op het kritieke moment weg. De Zijnen beantwoorden Zijn liefde zo vaak met zonde, twijfel en ongeloof. Maar ondanks alles heeft Hij hen onuitsprekelijk lief, ja, gaat voor hen lijden en sterven.
Hoor je dat? Er staat niet, dat de Zijnen Jezus hebben liefgehad tot einde. Nee, het is omgekeerd: Jezus heeft de Zijnen liefgehad tot het einde. Dat maakt het wonder van Zijn liefde zo onbegrijpelijk groot.

3. hoelang

Bijzonder, vind je niet? Je had verwacht dat Hij zoveel met Zichzelf had te stellen, dat Hij nu even geen oog, geen liefde zou hebben voor de Zijnen. Maar nee, Hij laat ze niet los, verliest ze niet uit het oog en blijft ze met liefde omringen.
Liefde tot het einde, dat betekent ook: liefde tot de hoogste graad, de volle maat, dus: het toppunt, hoogtepunt van Zijn liefde. Je kunt iemand – uit liefde – een flinke fooi geven, een duur kado, maar Jezus geeft niet iets maar alles. Hij geeft Zichzelf, Zijn eigen leven.
Liefde tot het einde. Het Griekse woordje voor einde betekent ook ‘doel’, doeleinde. Welk doel dan? Jezus’ liefde heeft een doel, namelijk de eeuwige heerlijkheid, de zaligheid, de redding van de Zijnen.
Het is erg als je Gods wet overtreedt en tegen Gods geboden zondigt. Maar wat veel erger is? Als je Zijn grote liefde veracht. Dan zal straks Jezus verschrikkelijk toornen over Zijn versmade liefde.
Kom, laten we vandaag nog onze knieën buigen en vragen: ‘stort Uw liefde uit, ook in mij’. Wat ben je gelukkig, als je in leven en sterven belijden mag: ‘ik heb Hem lief omdat Hij mij eerst heeft liefgehad.’
Wat een troost! Jezus’ liefde voor de Zijnen houdt het uit en houdt het vol, zelfs over dood en graf heen. Niets en niemand zal hen kunnen scheiden van Zijn liefde.

Gameren G. Wassinkmaat

Meditatie Handelingen 2 vers 21

IS UW ZIEL GERED?

‘En het zal zijn, dat een ieder, die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden’

Handelingen 2 vers 21

In de nacht van 14 op 15 april 1912 zonk in de Atlantische oceaan het grootste en meest luxueuze schip van die tijd de Titanic. Het ‘onzinkbare’ schip raakte een ijsberg. John Harper, een evangelist uit Glasgow, was ook aan boord. Hij viel op zijn knieën en bad voor de zaligheid van de passagiers. Snel zwom hij van de ene naar de andere drenkeling en vroeg: ‘is uw ziel gered?’ Als een drenkeling zei: ‘nee’, antwoordde Harper: ‘geloof in de Heere Jezus Christus en je zult behouden worden.’ En ik vraag het ook aan u en aan jou: ‘is uw, jouw ziel gered?’ Want de Pinksterboodschap luidt:  ‘En het zal zijn, dat een ieder, die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.’

Als de Heilige Geest  wordt uitgestort hoor je in Jeruzalem de grote werken van God. Petrus neemt dan het woord en zegt dat eeuwen terug de profeet Joël dit al voorzegd heeft. In de laatste dagen giet God Zijn Geest uit op alle vlees. Ja, dan zullen er zware tijden komen. Kijk maar om je heen: rampen, terreur, oorlog, vervuiling van het milieu en ga zo maar door. Zeg maar: het is crisistijd.

Of er dan nog ergens veiligheid te vinden is in deze zozeer bedreigde en dreigende wereld? Gelukkig wel, want Petrus zegt: ‘En het zal zijn, dat een ieder, die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.’

Wat een belofte! Ondanks de eindstrijd is de eindtijd voluit heilstijd. Een tijd, waarin Gods werk doorgaat, de Pinkstergeest werkt. Hoe donker het in de eindtijd ook wordt, wie de Naam van de Heere aanroept zal zalig worden.

En het zal zijn! Daarin ligt de zekerheid van de verhoring van het  gebed, dat je nooit tevergeefs bij de Heere aanklopt en op de Heere een beroep doet.

O zeker, soms twijfel je: zal ik wel zalig worden?  Je valt jezelf zo tegen, je zondigt weer en denkt: het is met mij niets. Maar God maakt Zijn Woord waar, doet wat Hij zegt en vervult wat Hij belooft.

Een ieder! Niemand uitgesloten. Wat je ook op je kerfstok hebt en hoe je er ook aan toe bent (misschien wel hopeloos ongelukkig en depressief). Hoor je dat? Wie dan ook de Naam van de Heere aanroept, zal gered worden.

Aanroepen! Wat betekent dat? Dat je op iemand een beroep doet, iemand bij zijn naam roept. Welke naam? Het gaat om de Naam van Jezus, de enige Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid. En een beroep op deze Naam is een beroep op Zijn hart, op Zijn genade, op Zijn ontferming.

Wat het liefste werk van de Pinkstergeest is? De Heilige Geest laat je zo graag zien Wie de Heere Jezus is en wat Zijn werk is: redden, verlossen, zaligmaken.

De Geest zorgt ervoor dat je Hem nodig krijgt, je verzet  leert opgeven, voor Hem door de knieën gaat en belijdt: ‘ik bouw op U mijn Schild en mijn Verlosser.’

Het gaat erom dat je met mond en hart de Naam van de Heere aanroept. Zo alleen wordt je ziel gered, word je behouden, kom je in de hemel.

Aanroepen, dat is wat anders dan een schreeuw in het wilde weg of alleen als een noodkreet, even tussen door en meer niet. Net als bijvoorbeeld de ANWB, die bel je alleen bij pech onderweg, verder niet. Nee, aanroepen is een zaak van het geloof, van het hart. Daarin is het hele leven van het geloof kort samengevat. Want een christen is iemand die de Naam van de Heere aanroept.

Is uw ziel gered? Erkent u de Heere Jezus als de enige en volkomen Zaligmaker?  En weet jij dat je buiten Hem reddeloos verloren bent?

Roep rond en op Pinksteren gelovig de Naam van de Heere aan. Val Hem te voet en grijp Hem aan als de rots van je behoud. Wie je dan ook bent: jonger of ouder, arm of rijk, gezond of ziek, sla dit aanbod niet af, kom tot Hem en roep Hem aan.

Want wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot.

Gameren
G. Wassinkmaat

Meditatie Johannes 18 vers 11

‘Jezus dan zei tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?’

Johannes 18 vers 11

Opsporing verzocht! Wat dat betekent? Men zoekt iemand die vermist is of een misdadiger. Daarover gaat het ook in Johannes 18. Men zoekt de Heere Jezus in Gethsemane en wil Hem gevangennemen. Of Hij op de vlucht slaat en hard wegrent? Nee, deze Arrestant (Hij heeft nooit iets verkeerd gedaan!) biedt Zichzelf aan en geeft Zich vrijwillig aan de vijand over.

Petrus kijkt toe, hij begrijpt er niets van, bedenkt zich geen moment, pakt het zwaard en slaat er op los. Zie zo, die is raak. De knecht van de hogepriester, Malchus, raakt zijn rechteroor kwijt. Bij zwaard moet je hier denken aan een kort zwaard, een soort dolkmes. Misschien dat Petrus daarmee gisteren nog wel het paaslam slachtte. Er vloeit bloed in de hof van Gethsemane, het bloed van Malchus. Maar er moet ander bloed vloeien, ik bedoel: het kostbare bloed van Christus dat weldra voor velen vergoten wordt. En daar is Petrus stekeblind voor.

Jezus bestraft hem, zegt: Petrus, steek je zwaard in de schede. Waarom? Petrus staat Jezus in de weg en loopt hem voor de voeten.

Stel nu eens, dat Jezus – net als Petrus – naar het zwaard greep. Dan was Gethsemane veranderd in een bloedbad, dan had de duivel gewonnen en God verloren. En dan was er geen verlossing en genade. De duivel wil met het zwaard van Petrus de lijdensbeker uit Jezus’ handen slaan.

Herkent u het niet? Wat Petrus hier doet dat leeft in ieder mens, óók in mij. Je grijpt altijd maar weer naar eigen wapens, je wilt jezelf handhaven en zelf je verlossing bewerken. Zeg maar: je wilt geen zondaar voor God worden en je verzet je tegen vrije genade. Je geeft je niet zomaar over en gewonnen.

Hoort u dat? De Heere Jezus zegt: steek je zwaard in de schede, geef toch eens je verzet op en laat je redden. Zalig de mens die zich neerlegt aan Jezus’ voeten, die Hem niet voor de voeten loopt, maar op de voet volgt.

Jezus wijst het zwaard af en kiest voor de lijdensbeker. Wat er in die beker zit? De last van onze zonde en van de toorn van God, de helse angst en verschrikking tot de dood van het kruis toe. Die beker is boordevol met de toorn van God tegen de zonde, uw zonde, jouw zonde, mijn zonde. Want wij hebben – door onze schuld – Zijn kroon gevlochten en Zijn beker gevuld.

Kort tevoren heeft Jezus nog met die drinkbeker geworsteld. Maar nu is Hij ten volle bereid om deze lijdensbeker leeg te drinken.

Vindt u het geen wonder dat de Vader de lijdensbeker van Zijn toorn Zijn eigen Zoon in de handen drukt? En dat Jezus met Zijn beide handen die beker gewillig aanneemt en tot de laatste druppel leegdrinkt?

Weet u voor wie Hij dat doet? Hij doet dat voor mensen als Petrus die Hem in de weg staan en voor de voeten lopen. Hij doet dat voor u die beseft: ik maak elke dag mijn schuld groter.

Onthouden! Als u weigert voor deze bereidwillige Jezus te buigen en je tegen Zijn liefde en genade blijft verzetten, dan moet je straks voor altijd drinken uit de drinkbeker van Gods toorn (Openbaring 14 vers 9 en 10). Doe de goede keuze van het geloof. Wat dat is? Het zwaard of de beker. Zeg maar: zelfverlossing óf verlossing door het bloed van Jezus.

Hoevaak lijk ik op Petrus die het zwaard van de zelfverlossing opneemt. Maar als dat zwaard (om mezelf te verlossen) mij uit handen valt en de Heilige Geest de beker van het heil in mijn handen drukt, dan belijd ik: ‘Nu weet ik het zeker dat de Heere Jezus de drinkbeker van Gods toorn ook voor míj tot de laatste druppel heeft leeggedronken.’

Gameren
G. Wassinkmaat

Meditatie Exodus 33 vers 1

Exodus 33 vers 15

‘toen zei Mozes tot Hem, tot de Heere; indien Uw aangezicht niet meegaan zal, doe ons van hier niet optrekken’

ZONDER DE HEERE NIET VERDER

We leven in een angstige tijd, in een wereld vol terreurdreiging en geweld. De problemen stapelen zich op en velen vragen zich aan het begin van het nieuwe jaar vertwijfeld af: hoe zal het in 2016 gaan? Wat zal ons boven het hoofd hangen? Het jaar 2016 is voor ons verborgen. We weten niet wat de toekomst brengt. Maar één ding weten we wel: het voornaamste is dat de Heere in dit nieuwe jaar met ons meegaat.

In Exodus 32 lees je de geschiedenis van het gouden kalf. Het volk aanbidt de levende God door middel van een dood kalf. Begrijpelijk, dat Gods liefde verandert in toorn. Want God is te rein van ogen om het kwaad te zien (Hab. 1 vers 13). De Heere kan niet meer te midden van Zijn volk wonen. Mozes moet met het volk verder de woestijn door. God Zelf gaat niet mee maar zendt een engel. Is Mozes daar tevreden mee, gerust op? Nee, dat niet! Hij spant de tent van de samenkomst ver buiten het legerkamp. Mozes doet een krachtig beroep op Gods eigen belofte. Hij bidt.

En wij? Leiden we net als Mozes een biddend leven? Je weet toch wel dat je alle dingen bij God mag brengen?

Dan vraagt de Heere aan Mozes of Hij Zélf moet meegaan om hem gerust te stellen. En wat antwoordt Mozes? ‘Heere, indien Uw aangezicht niet meegaan zal, doe ons van hier niet optrekken’.

Snap je? Mozes is pas gerust als Gods aangezicht met hem meegaat. Hij moet er gewoon niet aan denken dat Hij zonder de Heere verder moet reizen. Dan blijft Hij liever hier, aan de voet van Sinaï. Dan maar niet naar het beloofde land, dan maar water en zand in plaats van melk en honing. Mozes beseft: zonder God, zonder Gods aangezicht kan en durf ik de reis niet verder aan.

Al heb je alles, maar zonder de Heere Zélf is het allemaal nog zo leeg en zo arm. Het gaat om het ene woord genade. En genade betekent méér dan dat je iets van God krijgt. Genade betekent voor Mozes dat God Zélf meegaat. (W. H. Velema)

Gods aangezicht, daar is het Mozes dus om te doen. Zeg maar: Gods persoonlijke zorg en trouw, Zijn gunst en genade. Gods aangezicht is het zichtbare teken van Zijn nabijheid, van Zijn tegenwoordigheid, ja, dat is de Heere Zélf.

Net als dat kind boven in bed. Het blijft maar roepen. Mama roept van alles onder aan de trap: stil maar, probeer maar te slapen. Maar het kind gaat maar door en dan zegt mama tenslotte: moet ik dan zelf boven bij je komen? Ja, dat is het! Mama zelf moet komen, eerder kan het kind niet gerust zijn.

De Heere komt aan het begin van 2016 naar ons toe en vraagt: kun je niet zonder Mij? Durf je niet alleen verder? Moet Ik meegaan om je gerust te stellen?

Het echte geloof erkent met Mozes: ‘Heere, alleen kan ik niet verder, geen enkele schrede’. Het echte geloof wil en durft zonder de Heere de toekomst niet ingaan.

Een kind van God kan er niet tegen als de Heere ver weg is, Zijn aangezicht niet (meer) laat zien. Want als de Heere Zich verbergt wordt het ontzettend donker en is er geen hoop en toekomst.

Misschien zegt u: de Heere met me, kan dat eigenlijk wel, want ik denk zo vaak dat ik m’n eigen boontjes wel doppen kan.

Dat Gods aangezicht meegaat is niet vanzelfsprekend, niet de gewoonste zaak van de wereld, maar genade. Het kan alleen om wille van het Kind in de kribbe, Dat heet: Immanuël, God met ons.

De Heere Jezus kon aan het kruis niet meer zeggen: God is met me. En tóch moest Hij verder, de nacht in, de hel in. Hij bleef alleen over, alleen op Golgotha, alleen onder de last van Gods toorn, alleen in de totale verberging en verwerping van Gods aangezicht.

Waarom? Opdat wij bij God terug kunnen komen en nooit meer door Hem verlaten worden. Ja, opdat we aan het begin van 2016 kunnen zingen: Dit weet ik vast, God zal mij nooit begeven.’

Gameren
G. Wassinkmaat

Meditatie Hosea 2 vers 14b

MAAR DE HEER’ ZAL UITKOMST GEVEN

‘……en aldaar zal zij zingen, als in de dagen van haar jeugd, als ten dage, toen zij optoog, wegtrok uit het land Egypte’, Hosea 2 vers 14b

Denk het je eens in: een stel, gelukkig getrouwd, houdt veel van elkaar, maar na verloop van tijd is de glans, de gloed weg. De buitenwacht merkt niets, maar het vuur van de eerste liefde is gedoofd. Nu, dat komt óók voor in het leven van het geloof, dat de eerste liefde voorbij is. Wat de eerste liefde is? Dat is de tijd, waarin je de Heere Jezus leert kennen als je Zaligmaker en belijdt: ‘ik heb Hem lief, omdat Hij mij eerst liefhad.’

En dan denk je vaak dat die eerste liefde nooit meer overgaat. Maar wat gebeurt er? Je geloof zakt in, je mist die diepe vrede en blijdschap, kortom: de eerste liefde is weg. En diep in je hart weet je best: het is m’n eigen schuld.

In Hosea 2 gaat het om een volk dat moet zeggen: de eerste liefde is weg, vroeger zongen we uit volle borst, maar nu niet meer. Onmogelijk!

Maar wat belooft de Heere nu? ‘En aldaar zal zij zingen, als in de dagen van haar jeugd, als ten dage, toen zij optoog, wegtrok uit het land Egypte.’

Het is bar en boos. Israël, het volk van het verbond, lijkt als twee druppels water op Gomer, de vrouw van Hosea. Zoals Gomer Hosea bedriegt en haar lichaam geeft aan andere mannen, zo ruilt Israël de HEERE, de God van het verbond, in voor de heidense goden, zeg maar: houdt er andere liefjes op na. En wat gebeurt er dan? De Heere leidt Zijn volk de woestijn, de ballingschap, in. Máár Hij vergeet het niet. Daar zal Hij spreken naar het hart van Israël en opent Hij een deur van hoop. En daar gaat Gods volk weer zingen, net als vroeger, toen het wegtrok uit Egypte.

Weet je nog? Mozes staat samen met de kinderen van Israël aan de oever van de Schelfzee (Exodus 15). Ze zijn zo vol van de bevrijding uit Egypte dat ze zingen van de grootheid en goedheid van God. Een loflied!

Maar wat nu zo erg is? Ze verslingeren hun hart aan de heidense afgoden en zingen dol enthousiast de liederen tot eer van Baäl.

Maar nu belooft de Heere dat Israël dit lied opnieuw leert zingen. Waar? In de woestijn van de ballingschap, waar het volk alles kwijtraakt en de Heere hun één en al wordt.

Herkent u dat niet? Het lied van de eerste liefde, dat misschien al jaren verstomde, wordt verdiept en opnieuw geleerd in de woestijn, waar God je soms zo ontzettend veel afneemt. Op dat ziekbed, met dat kruis op je schouders, als alles je bij de handen wordt afgebroken. Want daar laat God zien dat Hij je niet vergeet, getrouw blijft en nooit loslaat wat Zijn hand begon.

Een aantal jaren terug was het heel gewoon dat je thuis voor God zong. Moeders in de keuken, gezinnen bij het orgel, vaders op hun werk. Martinus Nijhoff maakte er gedichten over, over een schippersvrouw bij Zaltbommel die op haar schip psalmen zong. En over zijn moeder: ‘prijs God’, zong ze, ‘Zijn hand zal u bewaren.’

Zingen voor God. Gebeurt dat nog? Wordt u ’s morgens nog wel eens wakker met de woorden van een psalm of lied in uw hart?

Ja zeg je, zingen, ik kan het niet meer, ik heb tijden gehad dat ik zo vol was van de liefde van God dat mijn mond er van overliep, maar er is zoveel gebeurd.

Wat je dan doen moet? Denk dan eens terug, ja, ga weer terug naar het begin, de liefde van Christus en belijdt: ‘och, werd ik derwaarts weer geleid, dan zou mijn

mond U de ere geven.’ De Heere staat op de uitkijk, wacht met uitgebreide armen en zegt: ‘M’n kind, laat het weer worden zoals in het begin, toen je Mij zo hartelijk liefhad.’

Kom, wie zet in? ’Maar de Heere zal uitkomst geven.’

Wassinkmaat
Gameren

 

 

Meditatie Filippensen 3 vers 20a

Maar onze wandel is in de hemelen.

Maar. Dat wijst op een tegenstelling. Binnen de gemeente van Filippi hebben blijkbaar niet allen hun wandel in de hemel. In de voorgaande verzen schrijft Paulus dat velen anders wandelen.

Wie zijn die velen? Sommigen denken hier aan mensen die nog half leven in het heidense leven van vroeger. Ze hebben het leven van vroeger nog niet helemaal vaarwel gezegd of ze zijn er weer in teruggevallen. Anderen denken hier aan de zogenaamde Judaïsten. Deze dwaalleraars leerden dat Christus’offer niet genoeg was, maar dat er nog iets moest bijkomen van de kant van de mens. Wie zalig wilde worden, diende zich ook te houden aan de wetten van Mozes en de joodse overleveringen.

Waar dat straks op uitloopt? Paulus zegt: dat loopt uit op het verderf. De eeuwige ondergang en de buitenste duisternis.

Maar! In dat woordje hoor ik iets van verwondering. Velen wandelen anders, maar ónze wandel is in de hemelen. Waarom zij (die velen) wel en wij niet meer? Van huis uit zijn we toch geen haar beter? Onze wandel, eigenlijk staat er: ons burgerschap is in de hemel of: we zijn een kolonie van de hemel. In Filippi begreep men meteen wat Paulus hiermee bedoelde. Keizer Augustus stichtte er namelijk een Romeinse kolonie. Hij liet er een aantal Romeinse families naar overbrengen, waaronder oudgedienden uit het leger. Ze kregen er een stukje land als kolonist en genoten er een soort pensioen en brachten er de oude dag door.

Zo lag er dus midden in die Griekse provincie deze Romeinse kolonie. En als je aan hen vroeg: waar woon je, dan zeiden ze: onze woonplaats is Filippi, maar ons vaderland is Italië en onze moederstad Rome.

En wij? Zijn wij kolonisten van de hemel? Is daar ons vaderland? Staan onze namen ingeschreven in het Jeruzalem dat boven is? Van huis uit is dat niet zo. We zijn dat niet door geboorte, maar alleen door wedergeboorte. De Heere zet ons over uit het rijk van de duisternis naar het rijk van het licht. En dat alleen uit genade!

Wat een verschil. Vroeger zochten we de dingen van beneden, nu zoeken we de dingen die van boven zijn, waar Christus is. De hemel is ons eigenlijke en uiteindelijke thuis. We worden nu vanuit het hemelse thuisfront geleid en geregeerd.

Maar onze wandel is in de hemelen. Nee, dat betekent geen wereldmijding, maar wereldwijding. Dan zijn we niet wereldvreemd, maar vreemdeling hier op aarde. Als we een kolonist van de hemel zijn, dan heeft dat consequenties voor heel ons doen en laten Voor onze handel en wandel. Wat je als christen wel doet en niet.

Dat is niet gemakkelijk. Zeker in onze tijd niet. Want de satan verleidt en de wereld lokt. We moeten onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen (doopformulier). Dat kost strijd!

Wanneer we vanwege vakantie of werk naar den vreemde gaan, dan zoeken we contact met onze familie hier en bellen, mailen of whatsappen regelmatig. Zo is het ook nodig dat we voortdurend en gedurig contact hebben met het Thuisland en Thuisfront, zeg maar: met de Koning van het hemelrijk. Dat we dagelijks vragen naar Hem en Zijn sterkte.

Doen we dat? Zoeken we de Koning van het hemelrijk overdag, maar ook ‘s nachts als we niet kunnen slapen?

Het is net als met emigranten. Een emigrant blijft voor z’n eigen gevoel toch een vreemdeling, die hier nooit helemaal thuis raakt. Tenminste, zo is dat bij velen. Er is in je hart iets van dat heimwee naar je geboortegrond en je geboorteland. Zeg maar: je eigenlijke thuis. Dat trekt, dat lokt, dat boeit.

En zo is het nu ook met de kolonist van de hemel. Soms verlang je sterk naar je hemelse domicilie, je vaderland en je vaderstad. De éne keer meer dan de andere keer. Maar toch is bij tijden de hemel in je hart. Je hart wordt naar Boven getrokken en het verlangen groeit naar het volkomene en volmaakte.

Verlangt u ook naar het hemelse vaderland?

‘Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!)
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld’.

Wassinkmaat
Gameren

Meditatie Johannes 10 vers 11

‘JEZUS IS DE GOEDE HERDER’

‘Ik ben de goede Herder; de goede Herder stelt zijn leven voor de schapen’, Johannes 10 vers 11

Misschien ben je wel eens in de catacomben geweest van Rome.

Een ondergrondse begraafplaats, kilometers lang, waar christenen zich ook verborgen hielden in tijden van vervolging. In de wanden zijn gaten uitgehakt, waarin de doden werden bijgezet. En op die wanden zijn allerlei schilderingen aangebracht. Als je er door heen loopt, kom je ook één van de oudste afbeeldingen van de Heere Jezus tegen. Weet  je hoe Hij afgebeeld is? Als een romeinse herdersjongen en op Zijn schouders draagt Hij een schaap. Apart hè?

Ja, maar daar wordt natuurlijk iets mee gezegd, dit is een geloofsgetuigenis.

Midden tussen de graven van de eerste christenen, zegt deze afbeelding: wij hebben een Herder, Die zelfs meegaat over de dood en het graf heen.

Kom, we kijken in deze meditatie naar de gelijkenis van de goede Herder. Wat de aanleiding is? Jezus heeft een blindgeborene genezen, hoofdstuk 9. Uiteindelijk wordt de genezen man uit de synagoge gezet . Waarom? Hij ziet wat in Jezus, erkent dat Jezus van God vandaan komt. En dat kunnen de joodse leiders niet hebben. En Jezus? Hij zoekt als een trouwe Herder de blindgeborene op en laat weten dat Hij hem kent.

Nu tegen die achtergrond vertelt Jezus de gelijkenis van de goede Herder.

En dan vergelijkt Hij die joodse leiders met huurlingen (vers 8, 10). Ze willen maar één ding: loon, geld, En als er gevaar dreigt, gaan ze er meteen vandoor.

En daartegenover zegt Jezus vol gezag: Ik ben de goede Herder. Ja, vraag je, maar waar is Hij dan goed in? Nu, in geven. Wat geeft  Jezus  dan? Zijn leven! Moet je indenken: Jezus loopt rond in Jeruzalem, en Hij zegt nu al: Ik geef Mijzelf, Ik zet Me helemaal in, Ik stel Mijn leven voor u, Ik offer Mij op, Ik koop vrij, uit zonde, schuld, oordeel, nood en dood. Voor wie Hij dat doet? Voor Zijn schapen.

Deze Herder gaat ver, vind je niet? Want verder kun je niet gaan: je leven geven, en dat heeft Hij gedaan. Echt, zo’n Herder vind je nergens.

Is dit geen Herder bij Wie je met al je zorgen en zonden terecht  kunt? En aan Wie je je gerust kunt toevertrouwen?

Ja, zeg je, maar hoe weet ik dat Hij ook mijn Herder is? Nou, dan ken je Zijn stem, dan volg je Hem, dan is je leven gericht op Zijn beloften en geboden, dan wil je Hem gehoorzamen en dan kun je niet zonder Hem.

En voor ik het vergeet: deze Herder zoekt nog steeds. Wie Hij zoekt, vraag je? Zijn schapen. Dat is niet erg complimenteus. Een schaap is een dom dier, weerloos. Als er een wolf komt, of een dief, of als die verdwaalt…… Een schaap kan niets, is zonder herder ten dode opgeschreven.

Al ontdekt? Moet je dat eerlijk toegeven: ‘Heere, ik heb niks, ik ben net als een schaap, ik loop steeds bij U weg, ik doe U zoveel verdriet, ik heb verdiend dat ik eeuwig zonder U zou zijn?’ Maar dan zegt Hij: Ik ben de goede Herder, Ik geef Mijn leven.

Onthouden! Hier heb je een Herder, Die zo goed past  bij schapen die

vaak zo bokkig zijn, tegen de draad, eigenwijs of die verstrikt zitten in het struikgewas van zonde, twijfel en levensraadsels. Hij zoekt ze op en tilt ze op

Zijn schouders. En als een schaap doodmoe door zijn poten dreigt heen te zakken, dan zegt hij: Ik ben de goede Herder, Ik draag je en breng je eeuwig Thuis.

Gameren
G. Wassinkmaat

Meditatie Job 19 vers 25

‘Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan’

ZO RIJK ALS JOB

‘Zo arm als Job’, zegt het bekende spreekwoord. Waarom? Job moest alles missen, werd straatarm. Toch zeg ik niet: ‘zo arm als Job, maar zo rijk als Job’. Job is rijk, rijker dan de rijkste man van de hele wereld, omdat hij weet: ‘mijn Verlosser leeft’. Want wie deze levende Verlosser kent, is schatrijk, ook al is hij of zij straatarm. U heeft gelijk : Job heeft ontzettend veel meegemaakt. Hij raakt zijn kinderen kwijt en wordt melaats. Zijn familie kijkt niet meer naar hem om en zijn bekenden doen net alsof hij lucht is. Zijn vrienden bezoeken hem niet herderlijk, maar rechterlijk, hun troostgesprek is een twistgesprek, hun bezoek gewoon een bezoeking.

Wat zo’n wonder is? Terwijl zijn vrienden hem met beschuldigingen en verdacht- makingen om de oren slaan, brengt Gods Geest hem te binnen: ‘Job, maar God zal het voor je opnemen, Hij zal Zich over jou ontfermen, je Verlosser leeft’. Wat een verlosser of losser is? Dat is iemand, die je recht doet, die je verlost uit aardse nood, die voor je in de bres springt. Hoort u dat? Job zegt niet: ‘ik geloof dat er een Verlosser is of ik weet dat er een Verlosser leeft’. Nee, eigenlijk staat er: ‘mijn Verlosser is de Levende’. Wie dat is? Niemand minder en niemand anders dan de levende en de eeuwige God.

Aan Wie ik dan zo kort na Pasen denk? Aan die levende Goël, die levende Losser, de Heere Jezus Christus. Deze Losser nam ons vlees en bloed aan, heeft op Goede Vrijdag Zijn verlossingswerk volbracht. Hij heeft de satan, de zonde en de dood overwonnen. En ziet, Hij leeft! De opgestane Levensvorst verlost niet alleen uit aardse nood, maar Hij verlost uit alle nood, zelfs van de eeuwige dood. Dat is de blijde Paasjubel. Hij, Die de dood overwon, bevrijdt van de zuigkracht van de zonde, van de banden van de dood en de angsten van de hel en brengt alle verlosten eeuwig Thuis.

Waar het op aankomt? Op dat ene woordje ‘mijn’. Ik bedoel: de toeëigening van het heil (de Paasboodschap) en ‘het mijnen van het geloof’. En als u daarmee tobt, val dan de Levensvorst vandaag nog te voet en roep het uit: ‘Heere, wees mij genadig, geef me dat geloof van Job, ik laat U niet los, tenzij U mij loskoopt, zegent’.

Kent u de opgestane Levensvorst al? Buiten deze levende Verlosser zijn we niet zalig, maar rampzalig . Dan is er geen hoop in het uur van sterven en op die grote opstandingsdag. Want dan staan we niet op tot eeuwig leven maar tot eeuwig afgrijzen.

Job heeft een hoop die boven dood en graf uitziet. Als straks zijn lichaam in het graf wordt gelegd zal God over zijn stof waken en het op de jongste dag opwekken. Dan mag hij met eigen ogen zijn levende Goël, Losser zien.

Het is in Job 19 nog geen Pasen, maar toch begint hier in het Oude Testament het Paaslicht al te gloren. Het Nieuwe Testament geeft een veel helderder zicht op de dag van de opstanding. Wie Pasen zegt, zegt ook: ‘ik geloof de wederopstanding van het lichaam’.

Eens wordt het vernederd lichaam van Gods kind veranderd, gelijkvormig aan het verheerlijkt lichaam van de Koning van Pasen. De levende Verlosser staat daar garant en borg voor. Wat een glorie zal dat zijn, wat een Paasvreugde zal dat voor Gods kinderen geven.

Tenslotte één vraag: Bent u ook zo rijk als Job?

Gameren
G. Wassinkmaat