Meditatie Filippensen 3 vers 20a

Maar onze wandel is in de hemelen.

Maar. Dat wijst op een tegenstelling. Binnen de gemeente van Filippi hebben blijkbaar niet allen hun wandel in de hemel. In de voorgaande verzen schrijft Paulus dat velen anders wandelen.

Wie zijn die velen? Sommigen denken hier aan mensen die nog half leven in het heidense leven van vroeger. Ze hebben het leven van vroeger nog niet helemaal vaarwel gezegd of ze zijn er weer in teruggevallen. Anderen denken hier aan de zogenaamde Judaïsten. Deze dwaalleraars leerden dat Christus’offer niet genoeg was, maar dat er nog iets moest bijkomen van de kant van de mens. Wie zalig wilde worden, diende zich ook te houden aan de wetten van Mozes en de joodse overleveringen.

Waar dat straks op uitloopt? Paulus zegt: dat loopt uit op het verderf. De eeuwige ondergang en de buitenste duisternis.

Maar! In dat woordje hoor ik iets van verwondering. Velen wandelen anders, maar ónze wandel is in de hemelen. Waarom zij (die velen) wel en wij niet meer? Van huis uit zijn we toch geen haar beter? Onze wandel, eigenlijk staat er: ons burgerschap is in de hemel of: we zijn een kolonie van de hemel. In Filippi begreep men meteen wat Paulus hiermee bedoelde. Keizer Augustus stichtte er namelijk een Romeinse kolonie. Hij liet er een aantal Romeinse families naar overbrengen, waaronder oudgedienden uit het leger. Ze kregen er een stukje land als kolonist en genoten er een soort pensioen en brachten er de oude dag door.

Zo lag er dus midden in die Griekse provincie deze Romeinse kolonie. En als je aan hen vroeg: waar woon je, dan zeiden ze: onze woonplaats is Filippi, maar ons vaderland is Italië en onze moederstad Rome.

En wij? Zijn wij kolonisten van de hemel? Is daar ons vaderland? Staan onze namen ingeschreven in het Jeruzalem dat boven is? Van huis uit is dat niet zo. We zijn dat niet door geboorte, maar alleen door wedergeboorte. De Heere zet ons over uit het rijk van de duisternis naar het rijk van het licht. En dat alleen uit genade!

Wat een verschil. Vroeger zochten we de dingen van beneden, nu zoeken we de dingen die van boven zijn, waar Christus is. De hemel is ons eigenlijke en uiteindelijke thuis. We worden nu vanuit het hemelse thuisfront geleid en geregeerd.

Maar onze wandel is in de hemelen. Nee, dat betekent geen wereldmijding, maar wereldwijding. Dan zijn we niet wereldvreemd, maar vreemdeling hier op aarde. Als we een kolonist van de hemel zijn, dan heeft dat consequenties voor heel ons doen en laten Voor onze handel en wandel. Wat je als christen wel doet en niet.

Dat is niet gemakkelijk. Zeker in onze tijd niet. Want de satan verleidt en de wereld lokt. We moeten onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen (doopformulier). Dat kost strijd!

Wanneer we vanwege vakantie of werk naar den vreemde gaan, dan zoeken we contact met onze familie hier en bellen, mailen of whatsappen regelmatig. Zo is het ook nodig dat we voortdurend en gedurig contact hebben met het Thuisland en Thuisfront, zeg maar: met de Koning van het hemelrijk. Dat we dagelijks vragen naar Hem en Zijn sterkte.

Doen we dat? Zoeken we de Koning van het hemelrijk overdag, maar ook ‘s nachts als we niet kunnen slapen?

Het is net als met emigranten. Een emigrant blijft voor z’n eigen gevoel toch een vreemdeling, die hier nooit helemaal thuis raakt. Tenminste, zo is dat bij velen. Er is in je hart iets van dat heimwee naar je geboortegrond en je geboorteland. Zeg maar: je eigenlijke thuis. Dat trekt, dat lokt, dat boeit.

En zo is het nu ook met de kolonist van de hemel. Soms verlang je sterk naar je hemelse domicilie, je vaderland en je vaderstad. De éne keer meer dan de andere keer. Maar toch is bij tijden de hemel in je hart. Je hart wordt naar Boven getrokken en het verlangen groeit naar het volkomene en volmaakte.

Verlangt u ook naar het hemelse vaderland?

‘Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!)
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld’.

Wassinkmaat
Gameren