Meditatie Job 19 vers 25

‘Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan’

ZO RIJK ALS JOB

‘Zo arm als Job’, zegt het bekende spreekwoord. Waarom? Job moest alles missen, werd straatarm. Toch zeg ik niet: ‘zo arm als Job, maar zo rijk als Job’. Job is rijk, rijker dan de rijkste man van de hele wereld, omdat hij weet: ‘mijn Verlosser leeft’. Want wie deze levende Verlosser kent, is schatrijk, ook al is hij of zij straatarm. U heeft gelijk : Job heeft ontzettend veel meegemaakt. Hij raakt zijn kinderen kwijt en wordt melaats. Zijn familie kijkt niet meer naar hem om en zijn bekenden doen net alsof hij lucht is. Zijn vrienden bezoeken hem niet herderlijk, maar rechterlijk, hun troostgesprek is een twistgesprek, hun bezoek gewoon een bezoeking.

Wat zo’n wonder is? Terwijl zijn vrienden hem met beschuldigingen en verdacht- makingen om de oren slaan, brengt Gods Geest hem te binnen: ‘Job, maar God zal het voor je opnemen, Hij zal Zich over jou ontfermen, je Verlosser leeft’. Wat een verlosser of losser is? Dat is iemand, die je recht doet, die je verlost uit aardse nood, die voor je in de bres springt. Hoort u dat? Job zegt niet: ‘ik geloof dat er een Verlosser is of ik weet dat er een Verlosser leeft’. Nee, eigenlijk staat er: ‘mijn Verlosser is de Levende’. Wie dat is? Niemand minder en niemand anders dan de levende en de eeuwige God.

Aan Wie ik dan zo kort na Pasen denk? Aan die levende Goël, die levende Losser, de Heere Jezus Christus. Deze Losser nam ons vlees en bloed aan, heeft op Goede Vrijdag Zijn verlossingswerk volbracht. Hij heeft de satan, de zonde en de dood overwonnen. En ziet, Hij leeft! De opgestane Levensvorst verlost niet alleen uit aardse nood, maar Hij verlost uit alle nood, zelfs van de eeuwige dood. Dat is de blijde Paasjubel. Hij, Die de dood overwon, bevrijdt van de zuigkracht van de zonde, van de banden van de dood en de angsten van de hel en brengt alle verlosten eeuwig Thuis.

Waar het op aankomt? Op dat ene woordje ‘mijn’. Ik bedoel: de toeëigening van het heil (de Paasboodschap) en ‘het mijnen van het geloof’. En als u daarmee tobt, val dan de Levensvorst vandaag nog te voet en roep het uit: ‘Heere, wees mij genadig, geef me dat geloof van Job, ik laat U niet los, tenzij U mij loskoopt, zegent’.

Kent u de opgestane Levensvorst al? Buiten deze levende Verlosser zijn we niet zalig, maar rampzalig . Dan is er geen hoop in het uur van sterven en op die grote opstandingsdag. Want dan staan we niet op tot eeuwig leven maar tot eeuwig afgrijzen.

Job heeft een hoop die boven dood en graf uitziet. Als straks zijn lichaam in het graf wordt gelegd zal God over zijn stof waken en het op de jongste dag opwekken. Dan mag hij met eigen ogen zijn levende Goël, Losser zien.

Het is in Job 19 nog geen Pasen, maar toch begint hier in het Oude Testament het Paaslicht al te gloren. Het Nieuwe Testament geeft een veel helderder zicht op de dag van de opstanding. Wie Pasen zegt, zegt ook: ‘ik geloof de wederopstanding van het lichaam’.

Eens wordt het vernederd lichaam van Gods kind veranderd, gelijkvormig aan het verheerlijkt lichaam van de Koning van Pasen. De levende Verlosser staat daar garant en borg voor. Wat een glorie zal dat zijn, wat een Paasvreugde zal dat voor Gods kinderen geven.

Tenslotte één vraag: Bent u ook zo rijk als Job?

Gameren
G. Wassinkmaat